zaterdag 1 juni 2013

.





GEVEL  GEDICHT



Poëzie is meestal zacht, vol van gevoel en mededogen.
Soms is het wat scherper, rauwer; soms schuurt het…

Tegenover het Scheepvaartmuseum in Amsterdam, op een woongebouw aan het Kattenburgerplein, zie je de laatste strofe van een gedicht van mij, als gevelgedicht uitgekozen door de Stadsdeelraad.




                                                               
                                                               


Het komplete gedicht vind je in de uitgave: "Eilander Gedichten", een initiatief van Wil Merkies.



Het oproer ten einde / voedsel voldoende / weinig te wensen / maar onrust blijft.
Geld op de bank / auto, vakantie / leven en lachen / vrienden genoeg.
Blond werd kleur / buren ontwijken / kijken uit ramen / sluiten de rijen.

("Het oproer" gaat over het aardappel-oproer in deze buurt, 100 jaar geleden.)



HK.


maandag 11 februari 2013

.




O, DE  LENTE 
  

Ik verlang zo naar de lente,
die de winter zal verdrijven.
Merels in de bosjes, koetjes in de weide,
huppelende lammetjes en mekkerende geitjes.
Blaadjes aan de bomen, eendjes in de vijver,
fladderende vlindertjes, de duisternis voorbij,
o, wat maakt me dat toch blij,
en dat allemaal voor mij...

Ik verlang zo naar een geliefde,
die de koude zal verdrijven.
Lopen door de velden, fietsen op de heide,
hand in hand de wereld in, de somberheid vermijden.
Zuchten van verliefdheid, nooit meer hoeven lijden,
kussen op een bruggetje, de regenboog voorbij,
o, wat maakt me dat toch blij,
en dat allemaal voor mij...


  Marlou Witzel.
Henry Kloostra.


zaterdag 19 januari 2013



.

ALPE  D’HUEZ


Eindelijk gaat het gebeuren! De Alpe d’Huez. Die ‘Nederlandse berg’ van de Tour de France, ga ik vandaag beklimmen! Ik ben 71 en helemaal geen wielrenner. Ik kom, in het kleinste verzet, met moeite de Keuterberg in Limburg op.  Maar het is gewoon de uitdaging die ik mezelf opleg. Iets bijzonders doen.    

Het is een mooie dag, volop zon al, half mei, acht uur in de morgen. Er staat geen wind. Auto geparkeerd. Fiets er uit. Het is een gewone stadsfiets met wat versnellingen, waaronder een heel lage: één keer rondtrappen: 167 centimeter vooruit. Korte broek aan.  T-shirtje. Geen merken of teksten.  Gewoon simpel fietsen. Water in de flessen. Bananen mee. Karren maar.

De helling is gemiddeld 8½ procent, niet mis dus. Ik schakel terug naar de laagste versnelling en dan valt het eigenlijk best mee. Ik kom weliswaar haast niet vooruit, maar ik kan het zo wel een paar uur volhouden, lijkt me. Ik ben niet de enige op de berg. Regelmatig word ik ingehaald door de betere coureurs. Een meisje van een jaar of elf, in flitsende wielerkleding op een echte racefiets, passeert me alsof ik stil sta. Ze kijkt me even aan, en lacht. Licht spottend? Ik maak mezelf wijs dat ik haar al gauw weer voorbij zal gaan.

Er zitten 21 haarspeldbochten in deze weg en dat 13½ kilometer lang. Een rechterbocht moet ik heel ruim, over de linkerheft van de weg, nemen anders kom ik stil te staan. Ik maak 60 omwentelingen per minuut. Na ruim 3 kwartier ben ik op de helft.

Heel vroeger, 12 was ik, deden we óók aan wielrennen. Met m’n broer en wat vriendjes. We hadden fietsen met een mooie koplamp, een extra schijnwerper, twee dynamo’s, zijspiegels, en trommelremmen. Geen versnellingen. Alleen maar een heel groot verzet. 44 Tanden vóór, en 12 tandjes achter… We kwamen haast niet op gang. Na vijfhonderd meter was ik dan volkomen buiten adem. Dat komt allemaal omdat ik in een heel strenge winter, januari 1942, ben geboren. Dat werkt tóch door… Nooit heb ik zo’n wedstrijdje gewonnen. Wel één keer tweede.

De Alpe d’Huez geeft zich nog niet gewonnen. Omdat ik steeds hoger kom is de lucht dunner, minder zuurstof. Steeds vaker word ik nu gepasseerd, maar opgeven, daar denk ik nog niet aan. Vaak zie ik renners, die mij inhalen en voorbijvliegen, smalend lachen. Opa’s laatste stunt… Had ik niet veel beter op de camping kunnen blijven? Lekker met mijn verloofde een bakkie drinken en een boekje lezen in een luie stoel?

Bijna twee uren ben ik nu onderweg. De laatste kilometer. Een 11 % steile helling is het hier. Nog even doorzetten. Hé, wat is dat? Zie ik het goed? Naast me fietst ineens Fausto Coppi. FAUSTO  COPPI.! Il grande Campione Italiano.! Hij houdt in, past zijn tempo wat aan en vraagt me of het goed gaat. Mijn vroegere cursus Italiaans komt nu goed van pas. Hij zegt dat hij het prachtig vindt dat er nu eens iemand de berg op fietst die géén haast heeft, níets wil presteren, maar slechts boven wil komen. Hij stelt voor om op de top samen een biertje te nemen, en wat te praten. Half buiten adem neem ik zijn aanbod aan. Hij fietst alvast vooruit.

 
Na een moeilijk kwartier ben ik boven. Van 680 naar 1850 meter hoogte. 2 Uren, 13 minuten en 11 sekonden. Fausto Coppi deed het eerder in 45 minuten en 22 sekonden.

Daar zit hij al op een terrasje op me te wachten. Hij schudt hartelijk mijn hand. Twee grote koele gele rakkers staan op tafel. Uitgeput ga ik zitten. We heffen het glas. Al gauw zitten we lekker te kletsen. Overal zie ik jaloerse blikken. Een groepje Nederlanders, waaronder Mart Smeets en Tim Krabbé wil aanschuiven, maar Fausto wijst ze af. “Nee, nu even niet.”

Ruim een half uur babbelen we door. De kampioen nodigt me uit om een week te komen logeren in zijn villa in Castellania. We trekken onze agenda’s. Ik maak nog een paar foto’s van ons samen en neem hartelijk afscheid van Fausto. Daar fietst hij al weer naar beneden. Wát een kuiten. Had ik maar één zo’n been…

Na nog een kwartiertje rust sta ik op, check mijn remblokjes en ga terug omlaag. Heerlijk, bijna vlíegen. In de bochten komt de rook van mijn remmen, maar ze houden het, en na 14 minuten sta ik weer naast mijn auto.

Volgend jaar misschien Mont Ventoux?

HK


.

donderdag 12 januari 2012

.




BIJ DE MARINE


Een kazerne midden in de stad, dat was het Marine Etablissement Amsterdam, begin jaren zestig. Het terrein was toen groter dan nu; de aanleg van de IJ-tunnel heeft er vanaf 1963 heel wat van opgeslokt. 

Herfst 1961 kwam ik daar terecht om mijn dienstplicht te vervullen, en gelijktijdig het vak radio-radarmonteur te leren. Liever was ik thuis gebleven, maar helaas had men mij nodig om het land te verdedigen. Dat bleek overigens al meteen een misvatting te zijn, want reeds tijdens de schietopleiding met het schietgeweer Garand 7.62, was ik de enige die er in was geslaagd om vanaf 20 meter een vel papier van één meter in het vierkant, met een pop erop getekend, met GEEN van de acht kogels te raken… 

Op het Marine Etablissement bevond zich tussen de gebouwen van de radio-radarschool en de slaapzalen een groot exercitieterrein. Ongeveer 200 bij 150 meter. We moesten daar, om Volk en Vaderland te kunnen verdedigen, elke week een uur exerceren; marcheren in een peloton: 10 rijen van drie man, ook wel een bak genoemd. Het was nog een hele kunst om de exercitie-kommando’s die de sergeant ons toeriep goed en precies gelijk uit te voeren. ‘Links uit de flank, márs’; ‘rechts uit de flank, hált’; ‘rechtsomkéért’; ‘presenteer gewéér’, enzovoort. En dat alles met bepakking van bijna tien kilo en een geweer; maar we waren jong en sterk…


 Op een middag in december, moesten we weer eens marcheren. Het sneeuwde een beetje en het was aardig koud. De sergeant die ons kommandeerde was een luie bullebak die aan de zijkant van het enorme terrein onder een afdakje bleef schuilen terwijl hij ons de bevelen toeschreeuwde. Dat zette al meteen kwaad bloed bij ons, en mokkend voerden we zijn opdrachten uit. 

We waren zo al een half uur bezig toen we na wéér een kommando, nu in de breedte lopend, met drie rijen van 10 man naast elkaar, bij de sergeant vandaan marcheerden, richting de slaapgebouwen. Het sneeuwde intussen al wat harder, en de afstand tot de bevelvoerder werd steeds groter. Ik weet niet meer van wie het idee kwam, maar ineens zeiden we tegen elkaar dat we zouden gaan doen alsof we, vanwege de afstand, de bevelen niet meer konden horen, en gewoon zouden doormarcheren, richting gebouwen. En zo geschiedde. 

Terwijl we van grote afstand allerlei geschreeuwde opdrachten op ons af hoorden komen, bleven we met z’n allen doorlopen totdat we, uiteindelijk tegen de muur van de slaapzaal tot stilstand gekomen, links, rechts, links, rechts, dicht tegen elkaar aan doorstampten. Langslopende matrozen en ander personeel stonden intussen op een afstand lachend toe te kijken. 

De luie sergeant kwam nu vlug naar ons toegerend. Na een woedend ‘rechtsomkeert hált’ ging hij met een rood hoofd voor de troep staan en vroeg getergd wie dit had bedacht. Maar we hadden al afgesproken dat niemand iets zou zeggen, dus dat deden we dan ook niet. 

Uiteindelijk kostte het ons allen een weekend niet naar huis kunnen, en een week strafdienst: met volle bepakking een half uur in de looppas het terrein rondrennen. 

Maar we hádden gelachen. Geláchen dat we hebben…. Nu nóg steeds. 



HK.

woensdag 14 december 2011

.





KERSTAVOND 1944


Het was 24 december 1944. Kerstavond. Ons gezin woonde in het oude centrum van Roermond, in Limburg. Mijn moeder, een Spaanse schone uit Andalusië. Mijn vader, een Groningse dichter en schrijver, die behalve vloeiend Spaans, nóg vier talen sprak. En wij, zes kinderen, in de leeftijd van acht jaren tot drie maanden.

Buiten was het steenkoud, er lag sneeuw, maar binnen, rond de gloeiendhete kachel, was het behaaglijk. De hele dag waren we al zenuwachtig, in afwachting van de avond, als het heel leuk zou gaan worden, en er door een kerstman, dat had vader immers beloofd, kadootjes zouden worden gebracht. Onder leiding van mijn oudste broer, Manuel, oefenden we alvast kerstliedjes, terwijl moeder de kleine Milagros de borst gaf. Ondanks dat in de hongerwinter voedsel erg schaars was, wist moeder toch nog allerlei lekkernijen uit te delen. 

Roermond lag die dagen in de oorlogszone, en er werden door Engelse vliegtuigen heel wat bommen op de Duitse stellingen bij de Maas gegooid. Er was al sprake van dat de binnenstad geëvacueerd zou moeten worden. Regelmatig waren er razzia’s waarbij de Duitsers alle mannen tussen 18 en 45 jaar oppakten. Mijn vader was al twéé keer de dans ontsprongen. Een keer, doordat hij, op het moment dat de Duitsers de straat hadden afgezet, ergens anders in Roermond bezig was voor onderduikers. En een andere keer toen hij zich in de gangkast verstopt had en moeder een Spaans liedje zong, waarin ze hem waarschuwde dat de moffen, die het huis doorzochten, nu vlakbij waren.

Het werd vroeg donker, vader deed de lamp boven de tafel aan, de gordijnen dicht, en wij gingen kerstliedjes zingen. Buiten begonnen er sirenes te janken en we hoorden even later, vanuit de verte, zware explosies. Onder het avondeten zei vader dat hij nog even de stad in moest, en weer gauw terug zou zijn. Hij kuste moeder, aaide ons allemaal even over het hoofd, dat deed hij altijd, en vertrok. Moeder had een rode-bieten salade gemaakt, met geraspte worteltjes en eieren. 

Na de afwas gingen we weer allemaal rond de kerstboom zingen. Het was een zelfgemaakte, van een bezemsteel en wat latjes. We waren heel nieuwsgierig wat er zou gaan gebeuren. We hadden nog nooit een kerstman op bezoek gehad. 

Opeens was er buiten veel geschreeuw en lawaai. Moeder schoof de gordijnen iets opzij, en keek op straat. Ineens was ze heel bleek. Wij wilden ook kijken, maar dat mocht niet van haar. Ze legde uit, dat de Duitsers weer een razzia hielden en op zoek waren naar mannen die in Duitsland zouden moeten gaan werken. De soldaten hoopten natuurlijk dat op kerstavond alle mannen thuis zouden zijn. Ze hadden het hele blok afgezet, zodat niemand zou kunnen ontsnappen. Gelukkig was vader ergens anders in Roermond, zei moeder.

Dáár werd al brutaal hard op de deur gebonsd. Even dachten we dat het de kerstman was, maar er kwamen twee Duitse soldaten binnen, een oude en een jonge. Ze hadden grote geweren over hun schouder hangen. Wij kropen dicht tegen moeder aan. De oudere soldaat vroeg bars aan moeder waar ‘der Vater’ was. Moeder sprak in die dagen nog maar weinig Nederlands, en ze stamelde ‘Dojtsland, Arbajt’… Dat had mijn vader haar wel al geleerd… En voor ons kinderen was het streng verboden om iets over vader te zeggen tegen soldaten. 

Ze begonnen nu het hele huis te doorzoeken. Natuurlijk vonden ze niets. Juist toen ze wilden vertrekken, hoorden we gestommel achter de voordeur. We schrokken ons te pletter. Dat zou vader kunnen zijn. De jongste soldaat liep de gang in. Wij allemaal erachteraan. De deur ging open. Daar stond de kerstman. Met een grote juten zak, vol met kadootjes, wisten we. Wat waren we opgelucht. Het was een heel oude man, zagen we, hij had een grote witte baard, droeg een rode mantel met witte randen, witte handschoenen, een rode puntmuts, en hij sprak met een zware stem. 

De kerstman liep, omstuwd door kinderen, naar de huiskamer, bekeek goedkeurend de kerstboom, en zei langzaam: goedenavond, ik ben de kerstman. En dat hij kadootjes had voor alle kinderen in de straat. Ook voor de kinderen hier, in dit huis. Hij had ook wel wat voor de soldaten, zei hij, in onberispelijk Duits, en hij tastte diep in de grote zak. Manuel zette een kerstlied in, en we zongen uit volle borst mee. De gehelmde mannen konden van verbazing geen woord meer uitbrengen. Ze keken, zichtbaar ontroerd, naar de blije kindergezichten, en naar moeder, die de baby in haar armen had.

Misschien moesten ze wel aan thuis denken… De kerstman gaf hen elk een pakje, waar een strik omheen zat. Ze lachten wat, en bedankten ‘der Weihnachtsmann’. De kerstman nam nu zeven pakjes uit de grote zak, en legde ze onder de kerstboom. Het feest kon beginnen. De soldaten namen afscheid, en ‘wünschten’ ons nog ‘Fröhliche Weihnachten’. Opgelucht zagen we ze vertrekken. Daarna moesten we, een voor een, de kleinsten eerst, naar de kerstman toekomen. Hij vroeg van alles aan ons, streek ons bemoedigend door het haar en gaf ons uiteindelijk de begeerde kadootjes. Moeder was het laatste aan de beurt, en zij kreeg een heel klein pakje. 

We bedankten hartelijk, en samen met moeder zwaaiden we, luid zingend, de roodgemutste kindervriend uit. Terwijl we lawaaierig onze pakjes uitpakten en al druk aan het spelen waren, was vader ineens binnengekomen. Hij was op een stoel gaan zitten, en zag er moe uit. Zijn handen trilden. Er liep een striem over zijn voorhoofd. Zeker van zijn hoed, dacht ik. We dromden om hem heen, en schreeuwden, door elkaar, het verhaal van de soldaten en de kerstman.

Moeder stond achter vader. Haar hand op zijn schouder. Om een van de vingers had ze nu een zilveren ring met een donkere steen er in, en ik zag dat ze, met die hand, behoedzaam, een pluk watten van zijn kraag veegde… 

HK.

maandag 15 november 2010

.







SPITSBERGEN



  Niemand had me verteld dat ijsberen gevaarlijk kunnen zijn. Dus lachte ik maar wat toen men zei dat ik een geweer moest huren als ik de hoofdstad wilde verlaten.

 Spitsbergen. Een eiland. Daar ben ik zojuist geland met een vlucht uit Tromsø. Midden in de nacht, die op Spitsbergen in augustus dag is. De noordelijkste camping ter wereld, bijna 80 graden NoorderBreedte, ligt dicht bij het vliegveld. Met mijn vouwfietsje ben ik er in vijf minuten. Terwijl de lage noorderzon mij verwarmt zet ik om 02:00 uur mijn tentje op. Doodstil is het. Verderop jaagt een poolvos achter een broedende stern aan. Van slapen komt niet veel. Al vroeg sta ik op, pak alles in en ga op mijn fietsje op weg, vijf km, naar de hoofdstad Longyearbyen. Bij de gouverneur haal ik de vergunning op om het stadsgebied te mogen verlaten. Ook huur ik een geweer, met scherpe patronen. Dat moet, zeggen ze, want er zwerven hier hongerige ijsberen rond. Zal wel.

Ik haal nog wat voorraden in de supermarkt, hang het geweer tegen mijn rugzak aan en fiets de zeven km langs de kust naar de toegang van een vallei, de Bjørndalen. Wat een pracht. Meer dan drie kilometer lang strekt zich in het lage zonlicht, tussen twee bergketens een oplopend dal uit, met in het midden een kronkelend stroompje dat in zee uitmondt. De weg houdt hier op. Er staat een paal met daarop een driehoekig waarschuwingsbord met de afbeelding van een ijsbeer. Aan deze paal zet ik mijn fietsje vast, met een klein kabelslot. Eigenlijk belachelijk... Wie zou er hier met mijn rijwiel aan de haal gaan?




Na wat eten ga ik op weg. Nestelende sterns vallen me aan. Geen bomen, geen struiken, af en toe wat plekken wolgras met in de wind mee wuivende zilverwitte pluis-bollen. Hier en daar kleine gele en blauwe bloempjes. Verder is er alleen maar puingruis. Mijn pad loopt steeds wat steiler omhoog. Er is geen levende ziel te bekennen. Dus hier heeft Willem Barentsz voet aan wal gezet voordat hij Nova Zembla ontdekte. Ik voel me sterk en krachtig. Dat doé ik toch maar mooi, deze tocht...


Na een klein half uur bereik ik het punt, waar de Bjørndalen samenkomt met de vlakke bergruggen. Ga ik hier mijn tentje opzetten? Wat een schitterend uitzicht. De zon in mijn gezicht. Verspreide sneeuwplekken. En een ijsbeer. Wát? Een ijsbeer! Nog geen 300 meter bij me vandaan. Wat te doen? Ik moet terug. TERUG.


Ik begin haastig aan de terugtocht. Zo snel als ik kan loop ik de helling weer af. Ik tast naar mijn geweer. Stop er snel twee patronen in. Ik kijk steeds om. De ijsbeer begint me intussen nieuwsgierig te volgen. Als dat maar goed gaat. Mijn hersens knarsen. Dát is het: mijn proviand moet ik hem voeren! Wat heb ik allemaal? Brood, blikjes tonijn, kaas, koek en crackers. Terwijl ik snel afdaal gooi ik steeds wat eetbaars een eind bij me vandaan.. Het lijkt te werken. De ijsbeer eet wat van mijn proviand, maar komt me dan al gauw weer achterna. Daar gaat het brood, en even later de kaas. Alleen de crackers heb ik nog. Ik heb een voorsprong van 400 meter, en naar mijn fietsje toe is het nog 300 meter. Mijn hart raast.

Zal ik mijn verloofde ooit nog weerzien? Zal ik nog op mijn nieuwe motor kunnen rijden? Ik krijg een visioen van mijn begrafenis. Nee, mevrouw, u kunt hem niet zien, hij is té...

Ik struikel en sta vlug weer op. Nog 100 meter naar mijn redding. Waar is het fietsslot-sleuteltje? Waar is nou toch dat verdomde sleuteltje? Rennend en strompelend zoek ik m’n zakken na. Ah, daar is het. Ik sta bij m’n fietsje, pak vlug mijn geweer en keer me om. De ijsbeer is nu op dertig meter. Ik zwaai mijn armen wild in de rondte. Hij stopt. Gaat rechtop staan. Wat is ie groot. Ik schiet schuin in de lucht. Hij deinst wat terug, zakt op vier poten, loopt heen en weer en gromt. Met trillende handen open ik het kabelslot.

Daar komt ie al weer. Nogmaals schiet ik, nu op de grond tussen zijn voorpoten in. Grit en aarde spuiten hoog op. Hij rent brullend twintig meter achteruit. Nu snel zijn. Ik hang het geweer om, spring op mijn fietsje en met een kracht die ik niet van mezelf ken spuit ik weg. Het rijwiel steunt en kraakt. En weer komt hij achter me aan. En hij gaat snel. Dit ga ik niet redden. Toe nou, fietsje, je kúnt ‘t!

En dan... een straalvliegtuig, in aanvliegroute, komt laag over. De lijnvucht uit Tromsø. Het lawaai is oorverdovend. Mijn redding. Ik wil de piloot wel omhelzen. De ijsbeer heeft zich omgekeerd en spurt in paniek de helling op. Zonder nog om te zien jakker ik voort totdat ik na ruim één km de eerste huizen bereik.

Er grazen hier elanden. Ik ga uitgeput op een steen zitten, aan de rand van de Poolzee. Het water kabbelt aan mijn voeten. Verderop spelen kinderen verstoppertje. Noordse sterns vliegen laag over.


HK.

donderdag 29 juli 2010


.
.
.
.



GODFRIED  BOMANS.  MAART  1965



"Goedenavond, Marie Louise," zei Godfried Bomans tegen de oppas, Marlou Witzel, toen hij samen met Pietsie, zijn vrouw, thuis kwam, "is onze Eva nog lastig geweest, of is ze meteen gaan slapen?"    "Ik heb voor haar wat op de piano gespeeld, en daarna hebben we sámen nog wat geoefend..."   

"Zo, dus u speelt ook al piano, wat bent u toch veelzijdig,” zei de schrijver, "wat speelde u zoal?"   "De nocturne van Chopin, nummer 19, Opus 72."   "Nee, maar, dat is mijn lievelingsstuk...!; zoudt u dit nu nog eens, voor Pietsie en mij willen spelen? Dan doen we even de deur dicht om Eva niet te wekken."   "Ik kan het proberen," zei Marlou enigszins schuchter.



Ze ging, wat onzeker, zitten, en begon te spelen.   Gaandeweg kreeg ze meer zelfvertrouwen; de tonen vloeiden vanonder haar vaardige vingers de kleine kamer binnen.   Godfried en zijn vrouw hielden elkaar omarmd en luisterden ontroerd. De schrijver steunde met één hand op de piano en tikte zacht met de muziek mee.

Bijna vijf minuten duurde het stuk, en na afloop bleef het even volkomen stil. Toen greep Godfried de hand van Marlou, en zei met schorre stem:  "Dank u, dank u, dit is een van de mooiste momenten in mijn leven..."

Marlou reed op haar oude fiets naar huis.   Het regende, maar dat merkte ze thuis pas, toen ze haar natte jas aan de kapstok hing.


HK

woensdag 27 januari 2010









.
ONTMOETING IN 1909



Haarlem, dinsdag, 16 November, 1909.

Waarde Heer Kloosterman,

Wij spraken kort met elkander, nadat wij botsten tijdens het gehaast in den trein stappen op station Overveen. Ik moest later nog aan U denken. U was zo vriendelijk, beleefd en galant.


Hierbij zend ik U zes photographiën van den stad Haarlem.

Intussen hartelijke groeten,


Mejuffrouw M.L. Witzelius
Gedempte Oude Gracht 33 zwart
te Haarlem.

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------


Aan : Mejuffrouw M. L. Witzelius

Gedempte Oude Gracht 33 zwart

te Haarlem.


Amsterdam, maandag, 22 november, 1909, 5 uur 35, namiddag.




Geachte mejuffrouw Witzelius,


Ik dank U zeer voor de schoone photographiën van Uwe woonplaats Haarlem, die U mij toezond.

Ach, mocht ik maar eens met U langs deze fraaie plekken flaneren, en indien mogelijk Uwe hand dan vasthouden, dat zoude mij zeer gelukkig maken.

Na onze ontmoeting, den vorige week zondag, op het trein-station Overveen, alwaar wij beiden, tijdens dien hevige regenbui, gelijktijdig in het achterste rijtuig wilden stappen, en ik bij ongeluk met mijne overschoen Uwe slanke enkel raakte, was ik zeer onder den indruk van Uwe verschijning en Uwe mooie stem. Den gehele rit naar het verre Amsterdam durfde ik U bijna niet aan te kijken. Een enkele steelse blik was mogelijk, waarna ik mij snel afwendde toen U mijn richting op keek.

U begrijpt dat ik zeer verheugd was toen Uw bericht, aangevuld met die mooie prenten, mij gisterenmiddag bereikte. Ik ben buitengewoon benieuwd hoe U mijn adres hebt gevonden. Echter, méér nog ben ik mij er van bewust dat wij beiden kennelijk ons zeer tot elkander aangetrokken voelden.

Graag zou ik U dan ook nogmaals willen ontmoeten. Schikt het U aanstaande zondag, om 4 uur in den namiddag, in Uwe woonplaats, op den Groote Markt, vlak bij het standbeeld van Laurens Janszoon Coster?

Laat U mij alstublieft weten of U dan kunt komen, en anders zoudt U wellicht mij een tegenvoorstel dienaangaande kunnen doen.

Indachtig Uwe mooie ogen, die mij, vlak na het incident, afwisselend ernstig en glimlachend aankeken, Uwe zilveren stem, en Uwe lieftallige verschijning, verblijf ik, met achting,

Hendricus Kloosterman

Wittenburgergracht 133

te Amsterdam

HK

dinsdag 26 januari 2010

.
.
.
.
.

BRIEF  AAN  GERARD  REVE





Dinsdag, 13 maart 2001.

Geachte heer,


Natuurlijk heb ook ík me de afgelopen tientallen jaren gelaafd aan uw mooie en ontroerende schrijfsels. Er van genoten. Er om gejankt. Dat is normaal. Om die reden immers hebt u de, somtijds geniale, prachtregels op papier gezet.

Maar er is meer. De kracht van uw teksten krijgt voor mij vooral nadruk omdat ik uw mooie kop elke bladzijde zie begeleiden. Ik hoor de regels zeggen door uw fraaie stem. Denk vooral niet dat dit gevlei of ijdel gezwets is, want het is de zuivere en ondeelbare waarheid.

Terzake nu. Juist omdát u zo een fraai en doorgroefd gelaat hebt, heb ik het plan opgevat om u te fotograferen. Ik ben géén beroepsfotograaf. Bewaar me. Wél heb ik de zaak technisch en artistiek aardig, en ook zeer goed, in mijn vingers. Ik ben me bewust van de obstakels die ik zal moeten overwinnen om uw beeltenis vast te kunnen / mogen leggen. Tóch geloof ik dat ik wel een kans maak om mijn plan, vanzelfsprekend met uw toestemming, te volvoeren. U bent immers, juist als ik, op zoek naar puurheid, ongekunsteldheid.

Wat me óók zo in uw kop aantrekt is dat, naast de redelijke kracht die er van uit gaat, er ook een spoortje van twijfel is te zien. Ik kan het zeker mis hebben. Tot nu toe heb ik het moeten doen met wat de media ons van u laten zien.

Graag wil ik u eens ontmoeten. In uw eigen woonomgeving. Of in een of ander snertdorp. Geeft allemaal niet. En dan wat mooie achtergronden uitzoeken. U schijnt de reputatie te hebben dat u nogal eigenzinnig bent. Héérlijk.

U wordt er ook niet jonger op. En noem mij nu eens meer dan tien redenen waarom wij ons treffen nog langer zouden uitstellen?

Geachte schrijver van het hart. Ik zet u niet op een voetstuk. Dat hebben anderen al gedaan. Ik wil u er juist van af halen. In afwachting van uw antwoord probeer ik te overleven.

Wees gegroet.

Henry Kloostra.

..................................................................................................................................


BRIEF  VAN  GERARD  REVE























Zaterdag, 26 mei 2001.

Beste fotograaf, Henry Kloostra,

Wat een onbeschaamdheid om mijn schrijfstijl zo over te nemen; ik voel me bestolen. Lang heb ik er over gedacht of ik u de eer van een wederwoord zou gunnen. Ik dwong mijzelve, ten langen leste, om uw brief, de stijl er van, dan maar als een eerbetoon aan mijn schrijverschap te zien en mijzelve er van te overtuigen dat u zeer wel een eigen schrijfstijl zult bezitten, die meer van uzelve tot uitdrukking zou moeten kunnen brengen. Vooralsnog echter moet ik het stellen met uw na-aperij; het zij zo.

De reden dat ik u tóch antwoord, is, dat u mij in staat lijkt om vrijmoedigheid, zelfspot en onbaatzuchtigheid met elkaar te laten wedijveren, zonder een blijk van onderdanigheid te tonen. De meeste mensen, zo niet alle, zijn als ze mij per post, of per telefoon, dan wel in persoon benaderen, meestentijds uit op persoonsverheerlijking, alsmede eigen gewin. Er is nu eenmaal weinig zuiverheid en oprechtheid in de mensen.

De bekendheid die ik kennelijk heb verworven, en die ik niet nastreefde, heeft tot nadeel dat men alles van mij wil weten. Somtijds heeft dit tot resultaat dat mijn privéleven als een algemeen bezit wordt beschouwd, en men nogal vrijpostig tot mij door wil dringen. Uw brief is dan ook door mijn partner Joop Schafthuizen, om bovengenoemde redenen, bij mij vandaan gehouden. Ik vond haar bij toeval in een laatje, tussen wat kassabonnen van de slijterij, toen Joop enige dagen van huis was.

Meer dan tien redenen “waarom wij ons treffen nog langer zouden uitstellen” kan ik niet bedenken. U schrijft onderkoeld humorvol. Dat trekt me wel aan. U noemt mijn gelaat “fraai en doorgroefd”. Zonder enige twijfel heeft mijn woelige leven sporen achtergelaten; sporen die ik zelve beschouw als een verworvenheid, en die ik zeker niet (zoals zovelen wél doen in hun jacht naar een eeuwige jeugd) tracht te verbergen. Het trof mij dan ook dat u juist mijn onmiskenbaar aftakelende buitenkant als een bijzonderheid wilt vastleggen, zonder uzelve als een kunst-artiest te presenteren.

Ik ben alreeds ruim 77 jaren, en mijzelve zeer wel bewust van mijn sterfelijkheid. Nog goed bij verstand zijnde bemerk ik toch wel, zo nu en dan, bij tijd en wijle, dat een veelheid aan indrukken mijn onbevangenheid in de weg staat en een grote onrust in mij loswoelt. Een paar dagen helemaal niets doen, en mijzelve zonder skepsis overgeven aan wat rondhangen, zonder mijzelve te behoeven te verklaren, is mij dan ook zeer welkom.

Ik stem daarom ook toe om door u te worden gefotografeerd. Dat kan dan alleen in het weekeinde van 7 en 8 juli aanstaande. Joop is dan voor familiebezoek naar Parijs. U zoudt die zaterdag rond het middaguur kunnen aanschellen, en aansluitend, na de fotografie, in mijn woning kunnen overnachten, zodat wij ons niet overdreven behoeven te haasten. De foto van uzelve, en alle andere gegevens van u, die u in uw brief aan mij bijsloot, geven mij enige zekerheid, en een gevoel van vertrouwen.

Zend mij liever geen antwoord; mijn post wordt meestentijds door Joop uitgezocht, gelezen, en, indien hij dit nodig vindt, terzijde geschoven. De hele zaak zou dan zeer waarschijnlijk niet doorgaan, en Joop zoude met mij, ook vanwege zijn, mij niet onwelkome, jaloezie, in konflikt kunnen geraken. Ik ben zeer tevreden met zijn lief bedoelde regelzucht, maar soms mis ik, zo vermoed ik, door de mate waarin hij mij van de buitenwereld afschermt, waardevolle kontakten.

Welnu, ik zal naar uw komst uitzien. En indien het fotograferen niet tot het door u begeerde en door mij gehoopte resultaat zal leiden, dan kunnen wij onszelve altijd nog troosten met vrolijkheid en een goede fles Bourgogne.

Hartelijke groet,


Gerard Reve
Huize Watersnood
Posthoornstraat 6
Machelen aan de Leie
België
.

dinsdag 19 januari 2010

.




ALLES  OF  NIETS

…Kort voordat de 53-jarige vrouw haar woning rusteloos verliet had ze in een spiegel naar zichzelf gekeken. Ze had een innemend, goedlachs en waakzaam gezicht gezien met een vleugje zelfspot. Maar ze had ook gezien dat één van haar oorhangers ontbrak. Ze was hierover erg ontdaan. Het waren niet zómaar oorhangers. Deze, had ze gekregen van een goede, zo niet beste, vriendin die ze al vanaf heel lang geleden, van school nog, kende. Ze besloot om de route die ze nog geen tien minuten geleden vanaf het Italiaanse restaurant naar huis had gelopen terug te gaan, om te zien of ze de zilveren oorhanger…

Het regende licht en het waaide wat. Naar de grond kijkend, zoekend, probeerde ze de looproute in omgekeerde volgorde te reconstrueren. Hier, bij de Parklaan, had ze schuin de straat overgestoken. Ze wist nog dat ze met de vrienden, het restaurant verlatend, in een grappige bui met alle vijf gearmd naast elkaar waren gaan lopen, het toeterende verkeer totaal negerend. En daar, op de brug over de Nieuwe Gracht, hadden ze daar niet getreuzeld bij dat leuke hondje? De 53-jarige vrouw liep verder. Haar oorhanger bleef vooralsnog onvindbaar. Ze liep nu in de Jansstraat, steeds omlaag kijkend, langs een kerk, langs het gerechtsgebouw, waar ze overstak, tot vlak bij het restaurant.

“Bent u kwijt iets?” Ze keek op. Voor haar stond de Italiaan uit het eethuis. De man met het Italo-aksent, die eerder die avond met zwierige gebaren het gezelschap vrienden een mooie plek in de eetgalerij had aangewezen. “Tutto o niente” had hij gezegd. De man hield tussen duim en wijsvinger een oorhanger van zilver. De 53-jarige vrouw keek hem verbaasd aan. “Daar ben ik juist naar op zoek,” zei ze, “wat toevallig.” “Ik niet geloof dat toevallig bestaat,” zei de charmante zuiderling, “heb jij zin om met mij te kletsen wat, en misschien te drinken wat?” Hij gaf haar de oorbel.

De 53-jarige vrouw dacht even na. In een flits zag ze haar leven voorbij schieten. De ups en downs. Het lachen. De gedichten. De vriendschap. Ze keek de man tegenover haar aan. Hij had guitige ogen. Eigenlijk nogal stout. De avond was nog jong. “Ja, daar heb ik wel zin in,” zei ze ferm en ze liep samen met hem langs de verbaasde kok en de obers die hun jassen al aan hadden, langs  de dikke boomstammen die in de eetgalerij stonden en door het plafond het licht opzochten, langs de mooie gemetselde bogen, tot achterin, waar het wat donkerder was, en waar nog maar één tafeltje was verlicht met twee kaarsen, met daarnaast een mooie fles met twee sierlijke glazen, gevuld met koele witte wijn uit Toscane… 

Glimlachend keek ze hem aan, legde haar hand op zijn arm en zei zacht: "alles of niets".


HK.
.

maandag 18 januari 2010


.



ANTARCTICA


Waar ben ik aan begonnen. Eerst over land vanaf Buenos Aires met de bus helemaal naar het zuid-puntje van Patagonia, dan per schip de oversteek naar Antarctica, en vervolgens, met 20 anderen, de driedaagse tocht per tractor-bus naar de geografische Zuidpool. Ik kan voorlopig niet meer terug; moet hier tenminste acht weken
blijven.
Heb het, precies honderd jaar geleden, in december 1911 door Amunds
en gebouwde, hutje bezocht waarin Captain Sir Robert Falcon Scott en zijn kameraden, eind     januari 1912 een paar dagen teleurgesteld en gedesillusioneerd vertoefden, alvorens zij aan de zo noodlottig verlopen terugtocht begonnen..
De stijfbevroren levens-middelen staan nog op hetzelfde plankje als waarop Scott ze plaatste...

De tijd heeft hier stilgestaan, zo lijkt het.
De moderne golfplaten loodsen, die sindsdien hier zijn gebouwd, geven veel meer comfort en beschutting, maar toch wordt ik steeds weer naar dit houten hutje getrokken.

Ik probeer me in te leven in de ontberingen van toen. De gierende sneeuwstorm te voelen. De halfbevroren ledematen. Dan roept onze kok me. Er is soep, snert, lekkerrr.

HK

.